De markt is erin geslaagd de politiek naar haar evenbeeld te scheppen: kortermijngericht, imagogedreven, uit op snel scoren. Het heeft geleid tot de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, en met name rechts lijkt er niets van te leren. Tijd dat de politiek terrein terugwint op de markt. Stap één daarbij is: het beteugelen van lobby-excessen, door een rem op dubieuze banenwissels na de politieke carrière. Is een politicus primair bezig met het belang van de samenleving? Of toch allereerst met peilingen en met zijn volgende baan?
In zijn roman Onsterfelijkheid uit 1990 spreekt Milan Kundera van de omslag van ideologie naar imagologie. Wat hij daarmee wil zeggen is dat grote ideeën en logische systemen – Marxisme, socialisme, liberalisme – plaats maken voor hapklare leuzen en beelden, die nog hoogstens de associatie met een bepaald wereldbeeld oproepen. Met een rechtse premier die koketteert met een gebrek aan visie en een grote groep borstkloppers in de oppositie die succes niet afmeet aan concrete resultaten maar aan peilingen, kunnen we stellen dat de omslag naar een imagologische politiek volop plaatsvindt.
Het doet denken aan het kortetermijndenken in de marktsector. Bedrijven zijn ook vooral bezig met de winstcijfers van volgende maand en de strategie van de concurrent. Geen wonder dat politici en markten er steeds hechtere betrekkingen op na houden. Kwalijk, omdat de politiek nu juist een waakhond voor het publieke belang moet zijn.
Aan de rechterkant van het politieke spectrum is de vervlechting tussen markt en politiek compleet. De overstap van Bart de Liefde naar een bedrijf dat hij daarvoor nog moest reguleren, is slechts de laatste in een lange rij vrijages tussen privaat en publiek. Camiel Eurlings werd nog geen jaar nadat hij vervoerminister was baas van KLM. Gerhard Schröder leende zijn diensten aan Gazprom. Corien Wortmann wist al tijdens haar ambtstermijn als Europarlementariër dat ze aan de slag zou gaan voor de financiële sector die ze tot dan toe reguleerde.
De gevolgen van de verwevenheid merken we meer en meer. Luttele jaren na de grootste bankencrisis in bijna honderd jaar, laten veel rechtse politici hun oren weer hangen naar de krokodillentranen van de financiële sector, die klaagt over ‘dure’ financiële regels die ‘innovatie belemmeren’. Terwijl de crisis nu juist ontstond door een gebrek aan adequate regels op verzoek van diezelfde bankensector. De lezer herinnert zich nog wie daarvoor op moest draaien.
Een ander voorbeeld: in september stonden, na de onthullingen bij Volkswagen, de gebrekkige Europese autotests in de aandacht. Een goede aanleiding om Europese autofabrikanten stevig op het rooster te leggen zou je zeggen. Helaas gebeurde opnieuw het tegenovergestelde. Onder zware druk van de autofabrikanten werden de uitstootregels versoepeld, waarmee een groot deel van de overtredingen ongedaan werd gemaakt. Een onbeschaamde beslissing, begin deze maand gesteund door een rechtse meerderheid in het Europees Parlement.
De voorbeelden passen in de post-ideologie van Kundera. De huidige rechtse politicus heeft niets meer met klassieke liberale principes als ‘de vervuiler betaalt’ of ‘de rekening op de juiste plek’, maar neemt genoegen met een sterk verwaterde, vage notie van vrijheidsdenken. Een zegen voor markten (zij doen immers hetzelfde), een vloek voor de samenleving als geheel.
Tijd dus om de politiek weer de hoeder van het publieke belang te maken. Toegegeven, de macht van opiniepeilers pakken we niet zomaar aan. De visieloosheid van Rutte ook niet. Maar de toegang van het bedrijfsleven tot de politiek kan weldegelijk beknot worden. Een verplichte afkoelperiode voor politici, zoals die ook in de VS bestaat, kan het begin zijn van een cultuurverschuiving.
Een afkoelperiode voorkomt dat politici hun beleidsterrein zien als een vijver van potentiële werkgevers. Dat kan in drie stappen. Allereerst moet het Nederlandse lobbyregister helpen informatie over casussen van verstrengeling te delen. Ten tweede moet er een cooling off-periode worden vastgelegd waardoor parlementariërs en ministers één tot twee jaar niet aan de slag kunnen in de sector die ze reguleren. De bestaande wachtgeldregeling voorkomt immers dat politici gelijk terugvallen in de bijstand. Ten derde moet onderzocht worden in hoeverre dezelfde regels moeten gelden voor (hogere) ambtenaren.
Wij willen geen politiek die altijd opzij en daarom nooit vooruitkijkt. Wij willen een politiek die optreedt als een onafhankelijke scheidsrechter en die excessen van de markt bestrijdt. Een cooling-off periode is een stap om de intieme band tussen markt en politiek te bekoelen. Uiteindelijk zal ook de meest ‘imalogische’ politicus moeten inzien dat het imago van de politiek als geheel daarbij gebaat is.
zondag 21 februari 2016
zondag 15 maart 2015
Botsing zonder beschaving
Iedere botsing tussen twee beschavingen is een botsing tussen hun onderliggend barbarisme, zei Walter Benjamin. Dat citaat schoot me te binnen bij de merkwaardige opvatting van Rutte dat terroristen die naar Irak of Syrië reizen, daar maar beter kunnen sneuvelen.
Vier weken geleden was er in Buitenhof een scherpe discussie tussen Ruud Koopmans en Nourdin El Ouali. De eerste illustreerde zijn kritische houding jegens de islam met de opmerking dat (bepaalde, zoals Saudische) moslimleiders de doodstraf willen voor wie zich van de Islam afkeert. El Ouali wierp tegen dat er ook in de eerstewereldlanden als de VS nog steeds een doodstraf bestaat. De presentator beslechtte de discussie: dat klopt, maar de VS implementeert die voor zware geweldsmisdrijven, niet voor afvalligheid.
Natuurlijk is er nog wel een verschil, namelijk het element van schade. Een terugkeerling kan tijdens zijn missie getraind worden, en in naam van een heilige oorlog een aanslag plegen in Nederland. Een islamiet die zijn geloof laat vallen, heeft een veel geringere waarschijnlijkheid zich te wreken op de maatschappij die hij achter laat (hoewel, in termen van waarschijnlijkheid, ook het eerste scenario is nog steeds vrij zeldzaam).
Maar toch is dat element van schade
niet de (primaire) reden waarom Rutte deze terroristen graag dood
ziet. Dat verried hij door te zeggen: ik weet zeker dat het merendeel
van Nederland het met me eens is. Daarmee toonde hij dat zijn
afweging politiek was, niet utilitaristisch.
Die ga ik even uitleggen. Stel je voor
dat het debat kwam met het bekende trolleyprobleem. Dat probleem
stelt de vraag: moet je één leven opgeven, als je daarmee vijf
levens spaart? De koele afweging zou zeggen: ja, één leven is het
kleinere drama. Maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat Rutte bij
dit dilemma even parmant op de groene knop had gedrukt.
Dat vermoeden baseer ik op wat we zagen
in de campagne in 2012. Tijdens het RTL-debat was er een discussie
rond medicatie voor dure en zeldzame ziekten. De vraag die voorlag:
moeten we stoppen met het vergoeden peperdure medicijnen voor
zeldzame ziektes, als we dan meer patiënten kunnen redden? Samsom
was de enige die niet bij voorbaat tegen was. Niet 'omdat de
meerderheid dat met hem eens was', maar omdat hij het waard vond om
de discussie te voeren.
Maar voor Rutte was het noch de koele
afweging, noch de wil tot een discussie die hem vorige week tot zijn
uitspraak bracht. Het was het (veronderstelde) sentiment van de
achterban. Het sentiment dat zegt dat een moslim die naar Syrië of
Irak reist een landverrader is, een afvallige. En dat is een uiterst dubieuze
grond om iemand dood te wensen.
In de jaren '30 vertrok George Orwell
naar Spanje om aan de zijde van de opstandelingen te vechten in de
Spaanse burgeroorlog. In de jaren '70 stierven in Utrecht en Limburg
mensen door aanslagen van de Rote Armee Fraktion, een club die ook
Nederlandse sympathisanten had. En de mensen die nu naar Syrië
afreizen om zich te mengen in de oorlog aldaar zijn een allegaartje
van geloofsfanatici en romantisch-naieve verzetslieden tegen Assad of
IS.
Let wel, dat is geen reden om terugkeerlingen hun gang te laten gaan. Inlichtingendiensten in heel Europa
hebben met recht een dagtaak aan wat er gebeurt in de levant. Maar
wat Rutte doet is heilloos, en bespeelt alleen maar de barbaarse
fantasieën die al of niet in de onderbuik van de achterban leven.
Waardoor hij, vreemd genoeg, barbaarse gedragingen van regimes als Saudi-Arabië
doorgrondbaarder maakt.
zondag 1 februari 2015
Na de natiestaat
Goed nieuws voor geografen: de wereldkaart is nog steeds in beweging. Dat is vorig jaar wel gebleken. De Krim-oorlog had alles weg van een ouderwets landjepik. Het referendum voor Schotse onafhankelijkheid werd ternauwernood afgewezen. Dat alles staat niet op zichzelf, past in een patroon. Althans, dat ga ik proberen uit de doeken te doen in een aantal nieuwe blogjes. Het eerste blogje gaat over het verleden, heden en de toekomst van grenzen.
De geschiedenis van grenzen gaat ver terug. Rousseau schreef dat de eerste persoon die
een hek plaatste om een stuk land te claimen, en die genoeg simpele zielen vond
die daarmee instemden, de ware stichter van de moderne samenleving was. Maar
een stuk land afbakenen is één ding, een bestuurlijke indeling creëren is nog
iets anders. De grens werd – in de moderne geschiedenis – pas echt interessant
vanaf de 14e eeuw, toen het een demarcator werd van een politieke entiteit. Het
feodale systeem van keuterboeren werd gecentraliseerd, door massale
onteigeningen – een ontwikkeling die tot in de 19e eeuw doorging. Volgens
Robert Heilbroner, die een standaardwerk over economie schreef, was dit de
grote katalysator voor het ontstaan van grenzen in hun huidige
politiek-economische betekenis.
Langzaam werd de gehele wereld langs deze nieuwe grenzen
ingedeeld (onder meer aangestuwd door nationalisme, maar daar
kom ik in volgende blog terug). In het stiekem leuke boekje Imperialism: the
highest stage of capitalism van Lenin (1916) is te lezen hoe in het jaar
1900 de wereld definitief verdeeld raakte in politieke landsgrenzen. Hij schrijft: 'for the first time
the world is completely divided up, so that in the future, only redivision is
possible; territories can ony pass from one 'owner' to another, instead of
passing as unowned territory to an owner'*.
Lenin was sceptisch over de wenselijkheid van dit politiek-economische proces: “the
capitalist divide the world, not out of any particular malice, but because the
degree of concentration which has been reached forces them to adopt this method
in order to get profits.' Het raakt – hoewel met andere ondertoon – aan het
punt dat Heilbroner in zijn boek maakt: voor het ontwikkelen van een volwassen
economie is handel nodig, en voor handel zijn grenzen nodig.
De implicatie van de finale opdeling van de wereld was
volgens Lenin klip en klaar: meer grensconflicten†. Hij schrijft: 'the fact that the world is
already divided obliges those contemplating a new division to reach out for any
kind of territory (German appetite for Belgium; French appetite for Lorraine)' (arcering in citaat). Deze voorspelling kwam uit; grensconflicten werden
na de opdeling van de wereld steeds gangbaarder. Politicoloog Mark Zacher heeft
aangetoond dat waar in 1900 zo'n 70% van de conflicten over territoriale
kwesties ging, dat in de jaren daarna opliep, tot 90% vlak voor de tweede
wereldoorlog.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam het grote keerpunt. De reden
dat we nog altijd kunnen spreken van een 'naoorlogse' periode, is dat sinds
1945 grootmachten elkaars grenzen niet betwist hebben. Van 1975 tot 2014, is
zelfs geen enkel territoriaal conflict geëindigd met een grensverandering. Van
90% toen naar 0% in de decennia daarna.
Leiders komen dus zelden meer op het idee met wapentuig bestaande grenzen te betwisten. Die plotselinge
vreedzaamheid is in grote mate een verdienste van bovenstatelijke
samenwerkingsverbanden. Vooral de EU heeft het nodige gedaan aan het veranderen van de betekenis van de grens. Schengen heeft de wachtrijen voor
douanepoortjes weggehaald, de interne markt voor diensten heeft gezorgd dat we binnen
een dag een buitenlandse betaling kunnen doen, de interne arbeidsmarkt dat een
werkzoekende in Polen in Nederland aan de slag kan, en met inzet van het
toetredingsinstrument is gezorgd dat de Unie niet alleen België en Duitsland
'in check' houdt, maar Roemenië en Bulgarije evenzeer.
Maar deze grensmitigering is slechts fase I. Ingrijpender
tijden naderen. Om dat te illustreren, besluit ik deze blog met een kaartje dat
ik onlangs op mijn werk uit de mailbox viste:
Wat dit plaatje laat zien, is het Nederlands grensgebied, maar de eigenlijke grens is nauwelijks te herkennen. In plaats daarvan zien we de gebieden voor grenssamenwerking, de zogenaamde 'euregio's'. Dit is wat de geograaf Etienne Balibar in 1998 'de inversie van grenzen en gebieden' noemde:
No longer borders are the shores of politics, but they have (for instance through the allocation of border zones or border regions) become an object central to the constitution of a public sphere. So borders are not vanishing under the yoke of globalization, but rather they are being ‘multiplied, thinned and doubled’
De grens was ooit een hek. Langzaam ontwikkelde het zich tot de buitenrand van een politiek-economische entiteit. Nu staan we op het punt die ééndimensionale betekenis van grenzen te verliezen. Niet omdat we
naar een wereld zonder grenzen toe gaan. Maar wel omdat we toegaan naar een
wereld met véél meer 'zachte' grenzen, die steeds minder hun traditionele
politieke betekenis hebben, en steeds meer een ad hoc betekenis kennen die
overeen stemt met het efficiënt kunnen bereiken van een bepaalde publieke zaak.
In die zin zijn de referenda op de Krim en in Schotland geen barbaars atavisme,
maar een vroege uiting van de nieuwe 'grens a la carte'.
* Wegens het ontbreken van enkele citaten in de bron- en
doeltaal, bedien ik me hoofdzakelijk van de Engelse citaten.
† Of er moet spontaan nieuw land bijkomen, zoals The Economist deze week beschrijft: http://www.economist.com/news/international/21641246-offshore-eruptions-can-create-new-islandsand-new-territorial-rights-depths
zaterdag 24 januari 2015
Staakt-het-bloggen
Vandaag blaas ik na bijna drie jaar inactiviteit het stof van mijn weblog. Het staakt-het-bloggen was onvrijwillig, daar ik de toegang tot de blog was verloren nadat ik mijn studentmail was kwijtgeraakt.
Om continuïteit te veinzen, heb ik een enkele recente Facebook-schrijfsels een plek op deze site gegeven. De koddige banner van voorheen heb ik meteen maar even vervangen voor een bewerking van een of ander hip-abstract muziekalbum.
Verwacht de nodige bespiegelingen over taal, politiek en alledaagse wederwaardigheden.
Om continuïteit te veinzen, heb ik een enkele recente Facebook-schrijfsels een plek op deze site gegeven. De koddige banner van voorheen heb ik meteen maar even vervangen voor een bewerking van een of ander hip-abstract muziekalbum.
Verwacht de nodige bespiegelingen over taal, politiek en alledaagse wederwaardigheden.
dinsdag 12 augustus 2014
De Familieboom
Er zijn van die dingen die je je telkenmale voorneemt te doen wanneer
je vakantie hebt, maar die er in de praktijk nooit van komen. Zoals
uren in het park zitten met een boek. Dus toen gisterenavond de zon even
doorbrak, en ik een paar uur over had, zag ik mijn kans schoon.
Na enige tijd kwam er een man naast me op het bankje zitten. Hij was oud, lang en vrij donker, met een grijze baard en gehuld in militaire schutkleur. Ik zou hebben gegokt hebben dat hij een dakloze man van Noord-Afrikaanse origine was.
Na enige tijd kwam er een man naast me op het bankje zitten. Hij was oud, lang en vrij donker, met een grijze baard en gehuld in militaire schutkleur. Ik zou hebben gegokt hebben dat hij een dakloze man van Noord-Afrikaanse origine was.
“Wat lees je?”, vroeg hij.
Ik liet hem de omslag van mijn boek zien.
“Ik heb zelf ook boeken geschreven”, zei hij terwijl hij twee keer tien gestrekte vingers naar voren stootte, “twintig boeken. Over de familieboom. Ik ken al mijn voorouders, tot zeven generaties terug.”
“Waar komt uw familie vandaan?”, vroeg ik maar.
“Burundi”
“Uit Bujumbura?” Ik wachtte zijn reactie af op het feit dat ik de hoofdstad van Burundi kon opnoemen (wat me zelf ook verbaasde).
“Nee!”, snauwde hij, “Bujumbura is de hoofdstad van de Duitsers, van de Amerikanen. Ik kom uit de bergen, waar de mensen langer en bleker zijn.”
Na een moment van stilte, dat hij te baat nam om langdurig te ritselen in zijn tas, haalde hij een foto tevoorschijn met een aantal Afrikanen erop. “Kijk, lang en bleek”.
“Wil je ooit terug naar Burundi?”, vroeg ik.
“Kijk, mijn zoon is nu zestien. Die heeft mij niet meer nodig. Ik wil zo snel mogelijk terug. En weet je waarom? Europolis. Het Noorden is een Europolis geworden. België, Duitsland, Griekenland, het maakt allemaal niet meer uit.”
Even dacht ik dat hij een soort filosofisch punt over de voortdenderende EU-integratie aan het maken was. Het zou de eerste euroscepticus uit Burundi zijn die ik ooit ontmoet had.
“Dit is wat ze met me willen doen”, zei hij terwijl hij zijn rechterpols stevig op zijn linker legde.
“Ah, ze zitten achter je aan?”
“Ja. In heel Europolis. Dus ik moet terug. Als ik terugga neem ik de boerderij van mijn vader over. Die is al jaren dood en ik ben de oudste zoon. Daarom zien mijn broers mij niet graag komen. Maar mijn recht is mijn recht. Als ik terugkom in Burundi ben ik een rijk man.”
Inmiddels was het te donker geworden om verder te lezen. Ik stond op en wenste hem veel succes met zijn terugkeer.
Ik liet hem de omslag van mijn boek zien.
“Ik heb zelf ook boeken geschreven”, zei hij terwijl hij twee keer tien gestrekte vingers naar voren stootte, “twintig boeken. Over de familieboom. Ik ken al mijn voorouders, tot zeven generaties terug.”
“Waar komt uw familie vandaan?”, vroeg ik maar.
“Burundi”
“Uit Bujumbura?” Ik wachtte zijn reactie af op het feit dat ik de hoofdstad van Burundi kon opnoemen (wat me zelf ook verbaasde).
“Nee!”, snauwde hij, “Bujumbura is de hoofdstad van de Duitsers, van de Amerikanen. Ik kom uit de bergen, waar de mensen langer en bleker zijn.”
Na een moment van stilte, dat hij te baat nam om langdurig te ritselen in zijn tas, haalde hij een foto tevoorschijn met een aantal Afrikanen erop. “Kijk, lang en bleek”.
“Wil je ooit terug naar Burundi?”, vroeg ik.
“Kijk, mijn zoon is nu zestien. Die heeft mij niet meer nodig. Ik wil zo snel mogelijk terug. En weet je waarom? Europolis. Het Noorden is een Europolis geworden. België, Duitsland, Griekenland, het maakt allemaal niet meer uit.”
Even dacht ik dat hij een soort filosofisch punt over de voortdenderende EU-integratie aan het maken was. Het zou de eerste euroscepticus uit Burundi zijn die ik ooit ontmoet had.
“Dit is wat ze met me willen doen”, zei hij terwijl hij zijn rechterpols stevig op zijn linker legde.
“Ah, ze zitten achter je aan?”
“Ja. In heel Europolis. Dus ik moet terug. Als ik terugga neem ik de boerderij van mijn vader over. Die is al jaren dood en ik ben de oudste zoon. Daarom zien mijn broers mij niet graag komen. Maar mijn recht is mijn recht. Als ik terugkom in Burundi ben ik een rijk man.”
Inmiddels was het te donker geworden om verder te lezen. Ik stond op en wenste hem veel succes met zijn terugkeer.
woensdag 30 juli 2014
Ome Erik
Vanochtend vroeg liep ik langs een terras waar ik een aantal
geamuseerde Belgen biertjes zag wegtikken. Op het oog geen gezworen
alcoholisten, maar levensgenieters die de ochtend verkozen als tijdstip
om aanspraak te zoeken.
Ik moest terugdenken aan een bezoek bij ome Erik een aantal jaar geleden, een oude kennis van mijn opa en oma. Ome Erik, een corpulente Belg met grijze baard en zeemanspet, had mij zoals dat vaker gaat bij oude mensen een onbepaalde uitnodiging voor een bezoek gedaan en had ik daar onbezwaard mee ingestemd.
Ik moest terugdenken aan een bezoek bij ome Erik een aantal jaar geleden, een oude kennis van mijn opa en oma. Ome Erik, een corpulente Belg met grijze baard en zeemanspet, had mij zoals dat vaker gaat bij oude mensen een onbepaalde uitnodiging voor een bezoek gedaan en had ik daar onbezwaard mee ingestemd.
Maar omdat mijn ouders en oma aan moeders kant de oude Erik ook graag
nog eens bezochten, zijn we in een zonnig herfstweekend met een wat
grotere afvaardiging naar zijn hoeve in Vlaanderen afgereisd.
Zondagochtend ontbeten we met spek en eieren, en klokslag 9 uur maande hij me mee te gaan in zijn 'Camio', zijn busje. We reden naar een cafe in het dorp verderop. Om halftien 's ochtends was de toeloop er nog matig, maar in het uur daarop stroomde een handvol dorpsgenoten de gelegenheid binnen. "Ha, den kapitein!", klonk het vrolijk zodra de bezoekers ome Erik aan de toog zagen.
"Ik zal u eens iets vertellen over drinken", sprak ome Erik. "Als ge goed wil drinken, echt goed bedoel ik, neemt ge best niet meer dan twee pintjes. Maar, let er dan wel op, dat het twee góede pintjes zijn".
We namen een Duvel en een streekbiertje en reden nog dezelfde ochtend stuurvast terug naar de hoeve.
Zondagochtend ontbeten we met spek en eieren, en klokslag 9 uur maande hij me mee te gaan in zijn 'Camio', zijn busje. We reden naar een cafe in het dorp verderop. Om halftien 's ochtends was de toeloop er nog matig, maar in het uur daarop stroomde een handvol dorpsgenoten de gelegenheid binnen. "Ha, den kapitein!", klonk het vrolijk zodra de bezoekers ome Erik aan de toog zagen.
"Ik zal u eens iets vertellen over drinken", sprak ome Erik. "Als ge goed wil drinken, echt goed bedoel ik, neemt ge best niet meer dan twee pintjes. Maar, let er dan wel op, dat het twee góede pintjes zijn".
We namen een Duvel en een streekbiertje en reden nog dezelfde ochtend stuurvast terug naar de hoeve.
woensdag 21 mei 2014
This Time Is Different?
De
Europese verkiezingen van morgen betekenen het einde van het zevende
direct verkozen Europees Parlement. De slogan van de verkiezingen voor
het achtste Parlement luidt “This Time Is Different”. Daar vallen
feitelijke vraagtekens bij te zetten: in 1999 stonden we op de rand van
een nieuwe muntunie, in 2004 voegden zich in één keer tien landen bij de
EU, in 2009 – toen het ook al crisis was - trad het verdrag van
Lissabon in werking. Waarom zouden precies deze verkiezingen anders
zijn?
Het officiële antwoord, dat het parlement aanstuurt op een herenakkoord waarin de grootste politieke groep de voorzitter van de Commissie levert, is eerder slaapverwekkend dan enthousiasmerend. Maar persoonlijk maak ik deze Europese verkiezingen wel anders mee dan voorgaande keren. In drie van mijn woonplaatsen die ik had tijdens het zevende parlement – Barcelona, Tirana en Brussel – deed ik een nieuw beeld op van de EU en het Europees Parlement.
Najaar 2009. Voor mijn studie bracht ik zes maanden door in Barcelona. Naast alle andere inzichten die ik er opdeed, waar ik nu niemand mee wil vermoeien, veranderde ik er van EU-agnost naar iemand die het belang van Europese samenwerking inzag. Dat kwam door twee tamelijk losstaande ontdekkingen die ik in Spanje deed: (1) de EU is niet onverenigbaar met democratie dichtbij mensen; kan dit zelfs bevorderen en (2) landelijke politiek schiet tekort in het oplossen van ten minste een aantal wereldproblemen.
Om met het eerste te beginnen: Spanje is in tegenstelling tot Nederland een land met meerdere naties. Onder Franco werden deze naties glashard onderdrukt omwille van een kunstmatige Spaanse eenheidsstaat. Catalaanse geschiedenisboeken werden verruild voor andere boeken, de taal voor een andere taal, de folklore voor een andere folklore. Het Spaanse lidmaatschap van de EU in 1986 betekende een einde aan dit radicaal centralisme. Daarin staat Spanje niet alleen. In andere van oudsher radicaal centralistische landen, zoals Frankrijk en Polen, heeft de EU consequent regionale belangen bevorderd. Zoals de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse al stelde: lokale bestuurseenheden zijn nog nooit zo kansrijk geweest als nu.
Ten tweede, en volledig ongerelateerd, volgde ik in dat halfjaar een cursus over klimaatverandering. Een probleem waarvan aangetoond werd dat het zowel rampzalig als politiek oplosbaar was (een voor een sociaal-democraat onverteerbare combinatie). De sleutel tot een oplossing lag niet in Nederland, niet in Spanje, maar in de doortastende samenwerking van een veel grotere groep landen.
Mijn master geografie deed ik in 2010 en 2011 en had als thema de politieke macht en (de willekeur achter) grenzen. Mijn scriptie-onderzoek deed ik in Tirana, Albanië, een land dat ondanks de economische crisis een EU-draagvlak van boven de 90% kende. Natuurlijk omdat de EU geassocieerd werd met welvaart. Maar nog meer omdat het door Europa geboden alternatief, vreedzaam aansluiting zoeken in een groter politiek verband, voor Albanezen veel aanlokkelijker en positiever was dan het verhaal dat politici ze al jaren vertelden: bevrijd de Kosovaarse en Macedonische en Montenegrijnse broeders en voer oorlog voor een Groot Albanië.
In 2012 verhuisde ik zelf naar Brussel om aan de slag te gaan in het Europees Parlement als beleidsmedewerker. Kreten als “een Europa dat regio's betrekt”, “een Europa dat leider is op werelduitdagingen” en “een Europa dat mensen hoop geeft” weergalmen hier dagelijks tegen de gipswanden, en worden veelal ontvangen als holle kreten. Een logisch verwijt. Daarom nam ik even de vrijheid een wat langer stukje te schrijven. Veel wijsheid met de keuze morgen.
Het officiële antwoord, dat het parlement aanstuurt op een herenakkoord waarin de grootste politieke groep de voorzitter van de Commissie levert, is eerder slaapverwekkend dan enthousiasmerend. Maar persoonlijk maak ik deze Europese verkiezingen wel anders mee dan voorgaande keren. In drie van mijn woonplaatsen die ik had tijdens het zevende parlement – Barcelona, Tirana en Brussel – deed ik een nieuw beeld op van de EU en het Europees Parlement.
Najaar 2009. Voor mijn studie bracht ik zes maanden door in Barcelona. Naast alle andere inzichten die ik er opdeed, waar ik nu niemand mee wil vermoeien, veranderde ik er van EU-agnost naar iemand die het belang van Europese samenwerking inzag. Dat kwam door twee tamelijk losstaande ontdekkingen die ik in Spanje deed: (1) de EU is niet onverenigbaar met democratie dichtbij mensen; kan dit zelfs bevorderen en (2) landelijke politiek schiet tekort in het oplossen van ten minste een aantal wereldproblemen.
Om met het eerste te beginnen: Spanje is in tegenstelling tot Nederland een land met meerdere naties. Onder Franco werden deze naties glashard onderdrukt omwille van een kunstmatige Spaanse eenheidsstaat. Catalaanse geschiedenisboeken werden verruild voor andere boeken, de taal voor een andere taal, de folklore voor een andere folklore. Het Spaanse lidmaatschap van de EU in 1986 betekende een einde aan dit radicaal centralisme. Daarin staat Spanje niet alleen. In andere van oudsher radicaal centralistische landen, zoals Frankrijk en Polen, heeft de EU consequent regionale belangen bevorderd. Zoals de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse al stelde: lokale bestuurseenheden zijn nog nooit zo kansrijk geweest als nu.
Ten tweede, en volledig ongerelateerd, volgde ik in dat halfjaar een cursus over klimaatverandering. Een probleem waarvan aangetoond werd dat het zowel rampzalig als politiek oplosbaar was (een voor een sociaal-democraat onverteerbare combinatie). De sleutel tot een oplossing lag niet in Nederland, niet in Spanje, maar in de doortastende samenwerking van een veel grotere groep landen.
Mijn master geografie deed ik in 2010 en 2011 en had als thema de politieke macht en (de willekeur achter) grenzen. Mijn scriptie-onderzoek deed ik in Tirana, Albanië, een land dat ondanks de economische crisis een EU-draagvlak van boven de 90% kende. Natuurlijk omdat de EU geassocieerd werd met welvaart. Maar nog meer omdat het door Europa geboden alternatief, vreedzaam aansluiting zoeken in een groter politiek verband, voor Albanezen veel aanlokkelijker en positiever was dan het verhaal dat politici ze al jaren vertelden: bevrijd de Kosovaarse en Macedonische en Montenegrijnse broeders en voer oorlog voor een Groot Albanië.
In 2012 verhuisde ik zelf naar Brussel om aan de slag te gaan in het Europees Parlement als beleidsmedewerker. Kreten als “een Europa dat regio's betrekt”, “een Europa dat leider is op werelduitdagingen” en “een Europa dat mensen hoop geeft” weergalmen hier dagelijks tegen de gipswanden, en worden veelal ontvangen als holle kreten. Een logisch verwijt. Daarom nam ik even de vrijheid een wat langer stukje te schrijven. Veel wijsheid met de keuze morgen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
